Werkgebonden personenmobiliteit is alle mobiliteit van werknemers die samenhangt met hun werk. Het begrip omvat zowel woon-werkverkeer als zakelijke reizen. Denk bij woon-werkverkeer aan de rit van huis naar je vaste werkplek en terug. Zakelijke mobiliteit bestaat bijvoorbeeld uit een bezoek aan een klant, een rit tussen twee vestigingen of een reis naar een congres. Het maakt daarbij niet uit of een werknemer reist met een leaseauto, privéauto, trein, fiets, scooter of een ander vervoermiddel.
De afkorting WPM staat voor werkgebonden personenmobiliteit. Je komt die afkorting vooral tegen in combinatie met de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit. Deze verplichting wordt ook wel de CO₂-rapportageplicht of CO₂-registratie voor werkgevers genoemd. Die benamingen zijn begrijpelijk, maar niet helemaal precies. Je rapporteert namelijk geen zelf berekende CO₂-uitstoot. Je levert reisgegevens aan, waarna het digitale platform van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) de uitstoot voor je berekent.
Werkgebonden personenmobiliteit gaat dus over meer dan een wettelijke administratie. De verzamelde gegevens laten zien hoe je medewerkers reizen en waar de grootste uitstoot ontstaat. Met dat inzicht kun je je mobiliteitsbeleid verbeteren. Je kunt bijvoorbeeld fietsgebruik stimuleren, het openbaar vervoer aantrekkelijker maken, thuiswerken ondersteunen of je wagenpark geleidelijk elektrificeren. Zo wordt een rapportageverplichting ook een praktisch stuurmiddel.
Waarom bestaat de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit?
Zakelijk verkeer en woon-werkverkeer zijn samen goed voor meer dan de helft van de kilometers die in Nederland worden gereden. Werkgevers hebben daarom veel invloed op de uitstoot die met personenmobiliteit samenhangt. Je bepaalt als organisatie immers mede welke vervoersmiddelen je beschikbaar stelt, welke reiskosten je vergoedt, waar medewerkers werken en hoeveel ruimte er is voor hybride werken.
De rapportageverplichting komt voort uit het Nederlandse Klimaatakkoord. De regels staan in hoofdstuk 18 van het Besluit activiteiten leefomgeving en zijn op 1 juli 2024 in werking getreden. Het oorspronkelijke doel was om de CO₂-uitstoot van werkgebonden personenmobiliteit in 2030 met 1 megaton te verminderen. Dat doel is later verhoogd naar 1,5 megaton.
De overheid gebruikt de gerapporteerde gegevens om te volgen of de gezamenlijke uitstoot voldoende daalt. Voor werkgevers geldt op dit moment geen individuele uitstootnorm. Je hoeft dus niet direct onder een maximale hoeveelheid CO₂ per reizigerskilometer te blijven. Als uit de landelijke evaluatie blijkt dat de gezamenlijke reductie achterblijft, kan de overheid in de toekomst wel een norm invoeren. Rapporteren en reduceren zijn daardoor met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde.
De WPM-rapportageplicht staat los van de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD). Er kan wel overlap zijn. Als werkgebonden mobiliteit voor je onderneming een materieel duurzaamheidsonderwerp is, kunnen de gegevens ook bruikbaar zijn voor je duurzaamheidsrapportage. De wettelijke basis van de WPM-plicht zelf ligt echter in Nederlandse regelgeving en niet in de Europese CSRD.
Voor wie geldt de WPM-rapportageplicht?
Volgens de regels die momenteel van kracht zijn, moet je rapporteren als je organisatie op de peildatum 100 of meer werknemers heeft en in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel staat. De peildatum is 1 januari van het jaar waarover je rapporteert. Had je op 1 januari 2025 minimaal 100 werknemers, dan moest je dus uiterlijk op 30 juni 2026 rapporteren over kalenderjaar 2025.
De verplichting geldt per onderneming of rechtspersoon en het KVK-nummer is leidend. Heeft je organisatie meerdere Nederlandse vestigingen onder hetzelfde KVK-nummer? Dan tel je de werknemers van die vestigingen bij elkaar op en dien je één rapportage in. Vestigingen buiten Nederland vallen daar niet onder. Hebben onderdelen van een holding verschillende KVK-nummers, dan beoordeel je per KVK-nummer of de grens wordt bereikt. Je mag die onderdelen niet samenvoegen tot één verzamelrapportage. Een holding of externe adviseur kan de rapportage wel namens een onderdeel indienen als daarvoor de juiste machtiging is geregeld.
Er is een beperkte uitzondering. Bied je werkelijk geen enkele werknemer een financiële vergoeding, vervoersbewijs, vervoermiddel of andere mobiliteitsvoorziening voor woon-werkverkeer of zakelijke reizen aan? Dan val je niet onder de rapportageverplichting. Deze uitzondering geldt alleen als je helemaal niets beschikbaar stelt. Ook een vergoeding via een cafetariamodel of uitruilsysteem geldt als een mobiliteitsvoorziening.
Welke medewerkers tellen mee?
Voor de WPM is een werknemer iemand met een arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling die minimaal 20 uur betaalde arbeid per maand garandeert. Let op het woord maand. Een norm van 20 uur per week is onjuist en zou veel te veel medewerkers uitsluiten.
Voor het bepalen van de omvang van je organisatie kijk je naar de situatie op 1 januari. Seizoensmedewerkers tellen mee als hun contract op die datum minimaal 20 betaalde uren in die maand garandeert. Nieuwe medewerkers die na 1 januari beginnen, veranderen de beoordeling van de drempel voor dat jaar niet. Valt je organisatie op de peildatum onder de plicht, dan neem je hun kilometers vanaf hun indiensttreding wel mee in de jaarrapportage.
Ingeleende uitzendkrachten, gedetacheerden en zzp’ers tellen niet als werknemers van de inlenende organisatie. Bij payroll, detachering en uitzending is in beginsel de organisatie waarmee de medewerker de arbeidsovereenkomst heeft verantwoordelijk. Voor uitzendovereenkomsten met een uitzendbeding geldt een uitzondering. Ook politieke vertegenwoordigers en aandeelhouders of partners die niet op de loonlijst staan, tellen niet mee.
Let op: de grens van 100 werknemers kan veranderen
Het kabinet wil organisaties met minder dan 250 werknemers vanaf rapportagejaar 2026 uitzonderen. De ondergrens zou daarmee van 100 naar 250 werknemers gaan en het landelijke reductiedoel zou naar 1,2 megaton worden aangepast. Op het moment van schrijven is deze wijziging volgens RVO nog niet definitief van kracht.
Voor rapportagejaar 2025 bleef de grens van 100 werknemers gelden. Organisaties met 100 tot en met 249 werknemers moesten daarom nog over 2025 rapporteren. Val je in deze groep, verzamel dan voorlopig ook de gegevens over 2026. RVO adviseert dit te blijven doen totdat er een definitief besluit is. Controleer altijd de actuele informatie van RVO of vraag je omgevingsdienst wat de voorgenomen wijziging voor jouw organisatie betekent.
Wat valt onder werkgebonden personenmobiliteit?
Voor de rapportage maak je onderscheid tussen woon-werkmobiliteit en zakelijke mobiliteit. Dat onderscheid bepaalt waar je gegevens vandaan komen en welke maatregelen je kunt nemen.
Woon-werkverkeer is het reizen tussen de woon- of verblijfplaats van een werknemer en de locatie waar die werknemer gewoonlijk werkt. Dat is meestal de standplaats die in de arbeidsovereenkomst staat. Reist iemand vanuit huis naar een andere vestiging van dezelfde organisatie om daar te werken, dan kan dat eveneens woon-werkverkeer zijn. Reizen tussen twee vestigingen zijn zakelijke reizen.
Zakelijke mobiliteit omvat de reizen die een werknemer vanwege het werk maakt, met uitzondering van woon-werkverkeer. Een klantbezoek is een duidelijk voorbeeld. Ook een rit naar een tijdelijke werklocatie kan zakelijk zijn. Heeft een medewerker geen vaste standplaats, dan kunnen alle werkgerelateerde ritten als zakelijke mobiliteit gelden. De administratieve vastlegging van de standplaats is daarom belangrijk.
Thuiswerkdagen rapporteer je niet als reis. Er zijn immers geen kilometers afgelegd. Het effect van thuiswerken komt automatisch terug in een lager aantal woon-werkkilometers. Houd je thuiswerkdagen al bij voor een thuiswerkvergoeding, dan kun je die registratie wel gebruiken om je berekeningen te controleren.
De rapportage gaat over ritten met een begin- of eindpunt in Nederland. Begint een zakelijke treinreis in Nederland en loopt die door naar het buitenland, dan tel je de relevante kilometers mee. Vliegreizen en reizen per boot of schip vallen buiten de WPM-rapportage. Ook goederenvervoer en ritten met voertuigen op een grijs kenteken zijn uitgesloten. Voor bepaalde nood- en hulpdiensten en voor beroepsmatig personenvervoer bestaan eveneens uitzonderingen. Controleer de RVO-handreiking als je met zulke specifieke vervoersvormen te maken hebt.
Welke gegevens moet je rapporteren?
Je rapporteert de totale jaarkilometers van alle werknemers samen. Je splitst deze kilometers uit naar woon-werkverkeer en zakelijke mobiliteit, vervoermiddel en brandstoftype. Je levert dus geen overzicht per medewerker aan RVO.
Voor auto’s maakt het formulier onder meer onderscheid tussen benzine, diesel, plug-inhybride, volledig elektrisch en andere brandstoffen. Mild-hybride auto’s registreer je bij de brandstof waarop ze rijden, omdat ze niet volledig elektrisch kunnen rijden. Daarnaast zijn er categorieën voor benzine- en elektrische motorfietsen, bromfietsen en scooters, elektrische scooters en speedpedelecs, de fiets, lopen en het openbaar vervoer. Het openbaar vervoer hoef je niet uit te splitsen naar trein, bus, tram of metro.
Ook kilometers met de fiets, te voet en met het openbaar vervoer horen in de rapportage, ondanks hun lage of afwezige directe uitstoot. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van de mobiliteitsmix. Voor gedeclareerde zakelijke ov-reizen geldt een praktische uitzondering: als je het aantal kilometers niet kent, vul je het totale gedeclareerde bedrag in. Het RVO-platform rekent dit bedrag om.
Zakelijke mobiliteit is in het digitale formulier verdeeld over drie administratieve bronnen:
- leasevoertuigen en het eigen wagenpark;
- mobiliteitsdienstverleners, zoals aanbieders van mobiliteitskaarten of reisapps;
- zakelijke declaraties van werknemers.
Deze indeling sluit aan op de manier waarop veel organisaties hun gegevens bewaren. Je mag zakelijke kilometers ook op een andere toegestane manier bundelen als dat beter bij je administratie past. Het doel blijft hetzelfde: volledige jaartotalen zonder dubbeltellingen, verdeeld over de juiste vervoers- en brandstofcategorieën.
Je rapporteert reizigerskilometers. Eén reizigerskilometer is de verplaatsing van één werknemer over één kilometer. In sommige administraties staan alleen voertuigkilometers. Bij personenauto’s past het digitale platform daarom automatisch een landelijke gemiddelde bezettingscorrectie toe. Je hoeft carpoolritten niet zelf naar reizigerskilometers om te rekenen.
je kunt gericht sturen op een manier van reizen die past bij je medewerkers, je organisatie en je klimaatambities.
Werkgebonden personenmobiliteit en AVG
Terugkijken: CO2-rapportage vastleggen in AFAS
In onderstaande video leggen onze experts uit hoe je deze gegevens vastlegt in AFAS.
Hoe verzamel je gegevens voor de WPM-rapportage?
Een betrouwbare rapportage begint niet vlak voor de deadline. Richt je administratie zo in dat je gegevens gedurende het jaar op dezelfde manier vastlegt. Dat verkleint de kans op ontbrekende kilometers, verkeerde brandstoftypen en dubbel getelde ritten.
Begin met een inventarisatie. Breng in kaart welke mobiliteitsregelingen je hebt, welke systemen gegevens bevatten en wie verantwoordelijk is voor iedere bron. Vaak heb je informatie nodig van HR, salarisadministratie, finance, facilitymanagement, wagenparkbeheer en externe mobiliteitsleveranciers. Spreek definities en aanlevermomenten vooraf af.
Voor leaseauto’s en het eigen wagenpark kun je gebruikmaken van kilometerstanden, rittenregistraties en jaaroverzichten van je leasemaatschappij of wagenparkbeheerder. Zorg dat zakelijke, woon-werk- en privékilometers van elkaar kunnen worden onderscheiden. Privékilometers vallen niet onder de rapportage. Controleer daarnaast of het vervoermiddel en de brandstof juist zijn vastgelegd.
Mobiliteitsdienstverleners kunnen vaak een WPM-geschikt jaarbestand leveren. Denk aan gegevens van een mobiliteitskaart, ov-contract, deelmobiliteitsplatform of reisapp. Vraag tijdig welke categorieën de leverancier gebruikt en hoe correcties worden verwerkt. Een koppeling met je HR- of financiële systeem kan veel handmatig werk voorkomen.
Bij declaraties heb je minimaal de afstand, het zakelijke karakter van de reis, het vervoermiddel en zo nodig het brandstoftype nodig. Pas je declaratieformulier aan als een van die velden ontbreekt. Voorkom dat dezelfde reis zowel via een mobiliteitsdienstverlener als via een declaratie in je totaaltelling terechtkomt.
Woon-werkverkeer is vaak het lastigste onderdeel. Je kunt gegevens afleiden uit je administratie of een enquête onder medewerkers gebruiken. Bij een enquête vraag je bijvoorbeeld naar de woon-werkafstand heen en terug, de standplaats, het gebruikelijke aantal reisdagen, het hoofdvervoermiddel en het brandstoftype. Gebruikt iemand meerdere vervoermiddelen tijdens één reis, dan kies je in beginsel het vervoermiddel waarmee de grootste afstand wordt afgelegd.
Een enquête hoeft niet altijd door iedere medewerker te worden ingevuld, maar de respons moet voldoende groot en representatief zijn. Zorg dat verschillende locaties en functiegroepen goed vertegenwoordigd zijn. Kantoormedewerkers, buitendienstmedewerkers en ploegendiensten kunnen immers heel andere reispatronen hebben. Documenteer je methode, aannames en controles. Dan kun je later verklaren hoe je tot de totalen bent gekomen.
RVO biedt een handreiking en een werkblad waarmee je gegevens kunt structureren en een woon-werkenquête kunt uitvoeren. Gebruik altijd de nieuwste versie. De regels en rekenmethoden kunnen veranderen.
Hoe dien je de rapportage in?
Je dient de WPM-rapportage digitaal in bij RVO. Daarvoor heb je eHerkenning nodig op minimaal niveau eH2+ met de juiste machtiging voor RVO-diensten. Wil je een holding, administratiekantoor of andere intermediair laten indienen, regel dan vooraf een machtiging. Wacht daar niet mee tot de laatste week; de aanvraag van eHerkenning kan enkele werkdagen duren.
De jaarlijkse deadline is 30 juni van het jaar na het rapportagejaar. De gegevens over 2025 moesten dus uiterlijk op 30 juni 2026 binnen zijn. Ben je te laat, dan blijft het RVO-loket beschikbaar om alsnog te rapporteren. Neem contact op met de omgevingsdienst in de regio van je hoofdvestiging als je uitstel nodig hebt of vragen hebt over handhaving.
Na het invoeren berekent het platform de CO₂-uitstoot. Je ontvangt vervolgens een rapport met je ingevoerde gegevens, de berekende uitstoot en een vergelijking met branchegenoten. Bewaar de onderliggende bestanden, je werkwijze en het definitieve rapport. Zo kun je verschillen tussen jaren verklaren en heb je een duidelijk controlespoor.
De omgevingsdienst controleert of je tijdig en correct rapporteert. RVO stelt de ingediende gegevens beschikbaar aan de omgevingsdienst die hoort bij de regio van je hoofdvestiging. Vrijwillig ingediende rapportages van organisaties die niet onder de plicht vallen, zijn volgens RVO niet zichtbaar voor de omgevingsdienst.
Werkgebonden personenmobiliteit en de AVG
Je levert bij RVO alleen totalen aan en geen persoonsgegevens van individuele werknemers. Tijdens de interne gegevensverzameling kun je echter wel persoonsgegevens verwerken, zoals woonadressen, postcodes, reispatronen of het type auto van een medewerker. Daarom blijft de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing.
De wettelijke rapportageverplichting biedt een grondslag voor de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om aan de WPM-plicht te voldoen. Je hoeft voor die noodzakelijke verwerking dus niet automatisch toestemming van iedere werknemer te vragen. Voor vrijwillige, aanvullende gegevens zonder wettelijke grondslag kan toestemming wel nodig zijn. Maak dat onderscheid zorgvuldig.
Verzamel niet meer gegevens dan je nodig hebt, leg uit waarvoor je ze gebruikt en beperk de toegang. Je kunt de verwerking opnemen in je privacybeleid en een bewaartermijn vaststellen. Laat alleen medewerkers die de WPM-rapportage verzorgen bij herleidbare gegevens komen. Deel met het management bij voorkeur alleen geaggregeerde uitkomsten. Dat beschermt de privacy en vergroot het vertrouwen van medewerkers in een enquête.
Hoe kun je werkgebonden personenmobiliteit verduurzamen?
De grootste waarde ontstaat wanneer je de rapportage niet als eindpunt ziet. Gebruik de uitkomst als nulmeting en zoek per locatie en functiegroep naar haalbare verbeteringen. Eén algemene maatregel werkt zelden voor iedereen. Een kantoor naast een intercitystation vraagt om ander beleid dan een productielocatie die ’s nachts slecht bereikbaar is met het openbaar vervoer.
Begin met het voorkomen van onnodige reizen. Hybride werken, online overleg en een slimme keuze van vergaderlocaties kunnen kilometers besparen. Kijk vervolgens naar het verschuiven van reizen naar schonere vormen. Een goede fietsregeling, veilige fietsenstalling, laadpunten voor e-bikes, volledige ov-vergoeding of een mobiliteitskaart kan medewerkers een aantrekkelijk alternatief bieden.
Moet een reis per auto worden gemaakt, richt je dan op schoner en efficiënter autogebruik. Je kunt het wagenpark elektrificeren, deelauto’s inzetten, laadmogelijkheden aanbieden en een mobiliteitsbudget zo vormgeven dat duurzame keuzes worden beloond. Stel bij een mobiliteitsbudget duidelijke kaders. Een vrij besteedbaar budget leidt niet vanzelf tot minder uitstoot.
Gedrag en communicatie zijn minstens zo belangrijk als techniek. Leg uit waarom je gegevens verzamelt, deel de resultaten en laat zien welke verbeteringen je doorvoert. Vraag medewerkers welke belemmeringen zij ervaren. Soms is een kleine praktische aanpassing, zoals een aansluiting op een vroege ov-verbinding of een reserveringssysteem voor deelauto’s, effectiever dan een brede campagne.
Formuleer ten slotte concrete doelen. Denk aan minder autokilometers per medewerker, een groter fietsaandeel, meer elektrisch gereden kilometers of minder zakelijke vliegreizen buiten de WPM-rapportage. Vergelijk de resultaten jaarlijks, maar beoordeel ze in context. Groei, verhuizingen, gewijzigde standplaatsen en nieuwe thuiswerkafspraken kunnen je cijfers sterk beïnvloeden.
Werkgebonden personenmobiliteit vastleggen in AFAS
Werk je met AFAS, dan kun je een deel van de registratie in Profit en InSite organiseren. AFAS ondersteunt gegevens over lease- en eigen voertuigen, mobiliteitsdiensten, declaraties en woon-werkverkeer. Met een goed ingerichte enquête kun je reisafstanden, werklocaties, hoofdvervoermiddelen en brandstoffen verzamelen. Gegevens kunnen vervolgens in de mobiliteitsregistratie terechtkomen.
Automatisering helpt, maar de inrichting bepaalt de kwaliteit. Controleer of medewerkers, contracturen, standplaatsen, vervoermiddelen en brandstoftypen actueel zijn. Leg in declaratieprocessen vast of een rit zakelijk of woon-werkverkeer is. Stem daarnaast af hoe gegevens van leasemaatschappijen en mobiliteitsaanbieders worden geïmporteerd. Een technisch correcte koppeling voorkomt nog geen dubbeltelling als definities tussen systemen verschillen.
Voer vóór de definitieve rapportage controles uit. Vergelijk aantallen werknemers met je salarisadministratie, controleer opvallende verschillen met het vorige jaar en bekijk of alle mobiliteitsregelingen terugkomen. Let ook op medewerkers met meerdere dienstverbanden of werklocaties. Sluit de rapportage pas af als de totalen verklaarbaar zijn.
Veelgemaakte fouten bij de WPM-rapportage
Een eerste fout is wachten tot het rapportagejaar voorbij is. Vooral woon-werkgegevens zijn dan moeilijk achteraf te reconstrueren. Een tweede fout is aannemen dat een leasemaatschappij of softwarepakket automatisch alle benodigde informatie bevat. De rapportage vraagt om een combinatie van bronnen.
Ook de urennorm gaat geregeld mis. Je telt werknemers met minimaal 20 gegarandeerde betaalde uren per maand, niet per week. Daarnaast is het KVK-nummer leidend en niet het loonheffingennummer of de naam van een groep. Controleer je organisatiestructuur dus voordat je gegevens samenvoegt.
Andere risico’s zijn het meetellen van privékilometers, het vergeten van fiets- en ov-kilometers, het dubbel registreren van mobiliteitskaartgegevens en declaraties, en het verwarren van voertuigkilometers met reizigerskilometers. Ook toestemming onder de AVG wordt soms verkeerd toegepast: voor noodzakelijke WPM-verwerking biedt de wettelijke plicht een grondslag, terwijl je voor vrijwillige extra gegevens apart moet beoordelen welke grondslag geldt.
Tot slot is het belangrijk dat je de actuele status van de 250-werknemersgrens blijft volgen. Een kabinetsvoornemen is nog geen geldende wetswijziging. Baseer je proces daarom op de actuele RVO-informatie en leg vast waarom je wel of niet rapporteert.
Wat levert goed beleid voor werkgebonden personenmobiliteit je op?
Met een goede registratie voldoe je niet alleen aan de wet. Je krijgt zicht op reiskosten, gebruik van mobiliteitsregelingen, bereikbaarheid van locaties en kansen om processen slimmer in te richten. Dat kan leiden tot lagere kosten, minder parkeerdruk en een aantrekkelijker arbeidsvoorwaardenpakket.
Duurzame mobiliteit kan bovendien bijdragen aan vitaliteit en goed werkgeverschap. Medewerkers die vaker fietsen bewegen meer. Flexibele werktijden kunnen reistijd en spitsdruk verminderen. Een combinatie van ov, fiets, deelmobiliteit en thuiswerken geeft medewerkers keuzevrijheid zonder dat je de duurzaamheidsdoelen uit het oog verliest.
Werkgebonden personenmobiliteit is daarmee geen losstaand formulier dat je één keer per jaar invult. Het verbindt HR, finance, salarisadministratie, facilitymanagement, duurzaamheid en IT. Als je die disciplines samenbrengt en gedurende het jaar betrouwbare gegevens vastlegt, wordt de rapportage eenvoudiger. Belangrijker nog: je kunt gericht sturen op een manier van reizen die past bij je medewerkers, je organisatie en je klimaatambities.